|
Home
Wie zijn wij
Raad
van Elf
Agenda
Media
Fotoalbum
Jeugd
Felicitaties
Brassband
Top of een Flop
Links
Inlichtingen
Gastenboek
| |
Geschiedenis van het carnavalsfeest
De oorsprong van Carnaval
De oorsprong van het woord carnaval is onzeker. Er zijn verschillende theorieën
en invloeden. Mogelijk is het woord carnaval afgeleid van
'carne levare', dat 'opruimen of wegnemen van
het vlees' betekent. Dit heeft te maken met de vastenperiode waarin de
rooms-katholieken
geen vlees eten. Maar de de gewone mensen in Europa aten tot laat in de
middeleeuwen zelden vlees!! Het is waarschijnlijker dat het
woord carneval afstamt van het Romeinse “carrus navalis”, dat naar
de scheepswagen verwijst die in de Romeinse optochten voorkwam.
Het feest was vroeger waarschijnlijk een vermenging van een Romeins
lentefeest en een Germaans offerfeest. Bij deze feesten vierde
men de komst van de lente. De Kerk deed haar uiterste best om de heidense
restanten van carnaval tegen te gaan, maar de dreigementen
en verboden hadden weinig effect op het gelovige volk. Paus Gregorius de Grote
(590-604) liet de vasten ingaan op Aswoensdag.
Het hele carnavalsgebeuren werd ervóór geplaatst, zodat er toch een duidelijke
scheiding ontstond tussen het heidense en het christelijke.
Het was ook de gewoonte om tijdens het carnavalsfeest de belangrijke mensen, die
het voor het zeggen hadden, te bespotten met gebruik
van maskers en vermommingen. Maskers werden in de oudheid ook al
gebruikt als middel om boze geesten te verjagen. We vinden
echter ook elementen van het carnavalsfeest terug in de geschiedenis van vele
antieke beschavingen.
Mesopotamië (ca. 2600 v Chr)
Mesopotamië was vroeger het land gelegen tussen 2 rivieren, de Eufraat en de
Tigris. Dit gebied hoort nu bij Irak. Tijdens de viering van
het nieuwjaarsfeest hoefden de mensen niet te werken. Slaven waren voor een
korte periode gelijk aan hun meesters. De rollen werden
zelfs omgedraaid: de slaven mochten even meester zijn en hun meester moest hen
bedienen!! Aanleiding voor het omdraaien van de rollen
was het Sacea- of Zagmoekfeest. Een prachtig versierd pronkschip op
wielen werd in een processie meegevoerd naar het heiligdom van
de god Mardoek. In deze kar werd iemand meegevoerd die voor enkele dagen de rol
van koning vervulde. Aan het einde van het feest was
hij gedoemd te sterven: een soort reinigingsritueel dus.
In het oude Egypte werd eind december de terugkeer van het licht met het
zgn. zonnewendefeest gevierd. Tijdens dit vijf dagen durende
vruchtbaarheidsfeest werd de stier Apsis rondgereden op een schip met wielen.
Men vierde in Egypte ook het feest van vruchtbaarheidsgodin
Isis, die met een blauwe schuit de Nijl afvoer.
Ook de oude Romeinen kenden zo hun feesten. Rond 21 maart (het nieuwe
jaar begon toen nog in maart) werd het feest Saturnalia gevierd.
Slaven werden zeven dagen vrij gelaten en mochten hun meesters bespotten en de
meesters verkleedden zich onherkenbaar om deze spot
te ontlopen. Tijdens de Saturnalia werden optochten gehouden om de godheid
Bachus, de schenker van levensvreugde en wijn, te eren.
Bij de Grieken viel die eer te beurt aan Dionysus die op een scheepswagen
door de stad trok en versnaperingen naar de mensen gooide.
Ook in andere delen van de wereld werden al lang voor onze jaartelling
soortgelijke feesten gehouden zoals onder meer door de Inca‘s,
de Joden en de Chinezen.
Germanen
Niet alleen in zuidelijke landen maar ook in onze streken werd rond het begin
van de lente gefeest. Meerdere Germaanse stammen vierden
het feest van Moeder-aarde, die als een alles overheersende godheid werd
beschouwd. Tijdens dit jubelfeest werd een schip op wielen in een
luidruchtige stoet rondgereden. Tijdens deze zgn. Joelfeesten vierden de
Germanen, als de dagen weer langer werden, de (weder-) geboorte
van de zon. Centraal stond de vruchtbaarheidsgodin Nerthus. De beeltenis van de
god Freyr werd op een schip met wielen geplaatst en door
een stoet van mensen in diervermomming en mannen in vrouwenkleren begeleid. Aan
boord van het schip werd het huwelijk van Freyr met een
priesteres voltrokken.
Middeleeuwen
In veel preken en teksten in de middeleeuwen werd het voorbeeld van een
schip gebruikt om de christelijke leer te verduidelijken: het schip van
de kerk, van de doop, Maria als schip, enz. Al vanaf de vroege middeleeuwen was
er sprake van boeteschepen met ruziënde mensen die heel
losbandig leven: het schip van de doop was uit de koers geslagen en zwaar
beschadigd door de zonde van de mens. Boete doen, zo dacht men,
was de enige manier om te ontkomen aan de hel.
Uit de geschriften blijkt dat er in de vroege middeleeuwen uitbundige
feesten werden gevierd aan de vooravond van de vasten of ter begroeting
van de lente. De kerk vond deze "duivelse uitspattingen" en "heidense rituelen"
maar niks. Al in het jaar 325 bepaalde het Concilie van Nice dat
het afgelopen moest zijn met deze deze heidense feesten. Paus Gregorius de Grote
(590-604) liet de vasten ingaan op Aswoensdag.
Het hele carnavalsgebeuren werd ervóór geplaatst, zodat er toch een duidelijke
scheiding ontstond tussen het heidense en het christelijke.
Het was ook de gewoonte om tijdens het carnavalsfeest de belangrijke mensen, die
het voor het zeggen hadden, te bespotten met gebruik van
maskers en vermommingen. In het jaar 724 ging de synode in Leptines
fel tekeer tegen de feestelijke uitspattingen in de maand februari.
Het getal elf
Carnaval is ook een uitbundig feest. Ook speelt het getal 11
een grote rol bij het feest. 11 is het getal van de gekken want men gelooft dat
je gek
wordt als je door een elfje gebeten wordt. 11 November is de Gekkendag en
carnaval is het feest om gek te doen, om te “faseln” om het met een
woord uit die tijd te zeggen. Van dit woord is dus niet alleen “vasten” maar ook
“bazelen” (onzin uitkramen) afgeleid. Het getal 11, twee énen naast
elkaar, is net als het dragen van maskers en vermommingen een teken van
gelijkheid. Het getal elf heeft een speciale betekenis in het carnavals
gebeuren. Op de elfde van de elfde maand benoemen carnavalsverenigingen een Raad
van Elf en kiezen zij een nieuwe Prins Carnaval. Sommigen
stellen dat de elfde van de elfde maand een wezenlijke datum is omdat hij exact
44 dagen voor Kerstmis valt. Elf november is ook de feestdag van
St. Maarten. Volgens anderen is het getal elf afgeleid van het Oudgermaanse ‘alf’,
een lucht- of watergeest. Het begrip ‘alfsch’, dat al uit de
middeleeuwen stamt, betekent zot of dwaas. ‘Alfen’ is schertsen, iemand
beetnemen.
Het woord vastenavond valt voor het eerst rond het jaar 1000. Tijdens de
synode van Benevento in 1091 wordt officieel het begin van de vasten,
Aswoensdag, vastgesteld volgens de berekeningswijze zoals we die nu nog kennen:
Vastenavond valt altijd 7 weken voor Pasen = 7 x 6 werkdagen
minus de vastenavond-maandag en vastenavond-dinsdag. Dus dat zijn dan 40
vastendagen. Pasen is de eerste zondag na de eerste volle maan die
na 21 maart valt.
Langzaam maar zeker gingen de kerkelijke leiders minder tekeer tegen het
vastenavondfeest. De clerus begreep dat het “gewone volk” zo nu en dan
een verzetje nodig had. Het leven was hard, de kerkelijke wetten waren streng en
om verzet hiertegen te voorkomen, kwam het vastenavondfeest als
een soort uitlaapklep goed van pas.
De manier waarop men in de periode van de 14e tot en met de 16e eeuw het
carnavalsfeest vierde wordt uitgebeeld op een schilderij van
Pieter Brueghel de Oude. Dit schilderij uit 1559 is getiteld “De strijd tussen
jonker carnaval en vrouw vasten”. Hiernaast staat een gedeelte van dit
schilderij.
Dit schilderij symboliseert de strijd tussen de uitgelaten
“gewone mensen” en diegenen die de boete en vasten belangrijker vinden.
Simpeler gezegd,
een strijd tussen de niet-gelovigen én diegenen die
zeer gelovig zijn en door middel van vasten, hun zonden vergeven willen
krijgen. Zonden zijn dan
zaken die officieel door de kerk afgekeurd
zijn, zoals liegen.
Dit schilderij is historisch gezien juist, het leven was in die tijd
namelijk echt zo. Het laat gewoon zien hoe de mensen in de Middeleeuwen
leefden.
Het schilderij wees de mensen er op hoe men wél en niet mocht
leven. De meest mensen waren analfabeet (konden niet lezen of schrijven)
dus men kon
hen alleen duidelijk maken wat wel en niet toegestaan was
door middel van tekeningen of schilderijen.
Van echt verkleden was geen sprake. Ketels, manden, tafels en bijenkorven
dienden als hoofddeksels. Dierenvellen en zakken werden gebruikt als mantels.
Messen, potten en mestvorken dienden als lawaai-instrumenten. Er werd tevens een
vastenavondspel opgevoerd; het spel bevatte voor de toeschouwers
een wijze les over hoe men diende te leven.
Het feest was vooral in de late middeleeuwen ontzettend populair, en zo ongeveer
alles was toegestaan. Vooral de geestelijkheid moest het dikwijls ontgelden.
Zo werden er bijvoorbeeld "nepmissen" opgedragen. Zogenaamde priesters voerden
een parodie (lachwekkende vertoning) op de kerkelijke eredienst op,
waarbij na elk gedeelte het gehele kerkvolk een harde boer liet horen. Zij
droegen daarbij maskers en aten zwarte pudding en vette worsten op het altaar.
In plaats van wierook werden schoenzolen verbrand. Of er werden onzinnige
liederen tegen elkaar ingezongen, waarna men zich de kerk uit haastte, omdat de
laatst overgeblevene zonder pardon de broek omlaag werd getrokken. Zogenaamde
priesters hielden ook spotpreken
(denk aan de "buuttereedners" = "tonpraters" die we nu kennen) en staken de
draak met kerkelijke en godsdienstige regels. Flink drinken en de beest
uithangen, daar ging het om. Tijdens het massale drinken van de wijn werd er een
tot ezelbisschop
gekozen. In het archief van de Munsterabdij van
Roermond bevindt zich een geschrift uit 1352 waarin sprake is van een
ezelbroederschap.
Het was rond 1400 verboden om te dobbelen (gokken), maar tijdens carnaval werd
een uitzondering gemaakt. Dit blijkt uit een brief van de raadslieden van
Maastricht van 1405. Dit verbod werd tijdelijk opgeheven en de mensen mochten
tijdens de carnaval dus wel dobbelen.
Blauwe
Schuit
In de 15e eeuw mochten alleen “wie in gebreke gebleven waren” aan boord van de
“carrus navalis”, de zogenaamde Blauwe Schuit: hoge geestelijken
die achter de vrouwen aan zaten, dronkelappen, verarmde edelen, enz. Blauw was
al van oudsher de kleur van het bedrog. Rondtrekkende gezelschappen
voerden bovendien wagenspelen op waarin getoond werd hoe het de mens zou vergaan
als hij de tien geboden of de sociale leefregels niet naleefde.
Frankrijk
Van 1000 tot 1500 vonden in Frankrijk de Narren- en Ezelsfeesten plaats.
In deze parodieën op de kerkelijke liturgie nam de geestelijkheid aanvankelijk
de centrale rollen op zich. De subdiakens traden op als zottenbisschop of
ezelpaus. Later namen burgers hun rol over. Na de kerkelijke leiders werden nu
belangrijke burgers en edelen op de korrel genomen. In die tijd ontstonden ook
de eerste echte narrenverenigingen, met een prins, vorst, adjudant en lijfwacht.
Aan het eind van de 16e eeuw trokken de geestelijken fel van leer tegen deze
feestelijkheden. Het concilie van Trente (1545-1563) en de Contrareformatie
veroorzaakten een complete omwenteling in de opvattingen over carnaval. In
Nederland zou het feest tot in de 18e eeuw grondig versoberen.
Merkwaardig genoeg bloeide het net in die periode in Venetié op. Op het
San Marcoplein werd op vastenavond een ware plechtigheid gehouden.
Onder
trompetgeschal werd een stier naar voor gebracht en ter plekke de kop
afgehakt. Vervolgens werd een vuurwerk afgestoken en beklommen
acrobaten
de toren van San Marco. Ook de maskerindustrie bloeide op. Het masker
stond immers voor anonimiteit, vermomming en spel.
Naar dit Italiaans
voorbeeld kwamen in het midden van de 19e eeuw de gemaskerde bals in
alle grote steden van Europa in de mode.
Tijdens de Franse bezetting van
het Rijnland (1796-1814) kwam het carnaval er weer tot leven. Onder die
invloed ontwikkelde zich ook het Zuidnederlandse carnaval.
De hervorming
Carnaval wordt door christenen gevierd die bij de kerk van Rome, de
roomskatholieke kerk horen. Maar in de 16e eeuw keerden steeds meer christenen
zich
tégen de rooms-katholieke kerk en sloten zich bij een protestantse kerk aan. Ze
wilden geen carnaval meer vieren, omdat ze tegen de losbandigheid waren.
Als in een dorp of stad de bevolking protestants werd of er kwam een protestants
stadsbestuur, dan werd er geen carnaval meer gevierd. Dat gebeurde ook in
Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In ’s Hertogenbosch bijvoorbeeld werd
carnaval in 1629 verboden nadat protestanten de stad op de rooms-katholieke
Spanjaarden hadden veroverd. Pas vanaf 1794, het begin van de Franse tijd,
mochten de Bosschenaren weer Carnaval vieren.
In dit tijdperk trokken zowel volwassenen als kinderen door de straten en zongen
vastenavondliedjes.
Ze bedelden om allerlei lekkers en speelden daarbij op de foekepot. Dit
is een kom of een pot met daarin een varkensblaas gespannen. Een riet werd met
een knoop aan het eind tegen de blaas gestoken (maar niet er doorheen), als de
blaas nog nat en zacht was, werd deze bij de kachel gedroogd. Door het riet
op en neer te bewegen en langs het riet te wrijven maakte men een geluid. De
jeugd maakte zo dus muziek. De jeugd trok rond met een foekepot, zong liedjes
en te bedelde om eten. De jongen zong dan: "Ik heb zo lang met de foekepot
rondgelopen...."en kreeg daarvoor een beloning. De dingen die zij verzameld
hadden, zoals bijvoorbeeld spek, werden 's avonds naar de herberg gebracht. Hier
werd het eten dan klaargemaakt en de mensen konden dit dan samen opeten.
Bier werd bij dergelijke gerechten veel gedronken.
Er werden ook allerlei spelen gedaan zoals
gansrijden, hanenslaan
en haringbijten.
Deze spelen werden zowel in de 18e als in de 19e eeuw gehouden.
Bij het hanenslaan en het gansrijden moesten de spelers de kop van
het beest eraf slaan of de kop eraf trekken. In Venlo werden deze spelen in 1775
verboden,
maar in Wijnandsrade werd deze traditie in 1848 nog gehouden.
Bij het haringbijten moesten de spelers proberen de haringen die aan
draadjes aan het plafond hingen met de tanden van deze draadjes af te bijten.
19e eeuw
In de 19e eeuw is Carnaval één van de twee grote feesten van het jaar. Het
andere feest is de kermis. Beide feesten geven de boeren en arbeiders, die vaak
grote armoede lijden, de kans om eens níet hard te werken, maar in plaats
daarvan flink uit de band te springen. Dat doen mensen door op straat te dansen,
te zingen en (veel) te drinken. Ze sparen er maandenlang voor.Maar soms loopt
het feest uit op vechtpartijen en richten vandalen vernielingen aan. Het
stadsbestuur
denkt er dan over om het feest te verbieden en soms gebeurt dat ook. Cafébazen
komen in verzet om een verbod te voorkomen of om die op te laten heffen omdat
ze zonder carnavalsfeest minder verdienen. En liefhebbers van carnaval willen
het feest niet missen. Ze richten carnavalsverenigingen op om het feest
te
organiseren en zorgen ervoor dat er tijdens het feest niet wordt gevochten en
niets wordt vernield. Ze huren zalen af waar carnavalsliefhebbers zich kunnen
uitleven.
Carnaval begon zich te verspreiden, dat wil zeggen steeds meer mensen gingen het
vieren. Kranten speelden hierbij een belangrijke rol.
Het Rijnlandse carnaval
Ons carnavalsfeest vindt zijn oorsprong in het Rijnlandse (gebied in Duitsland
langs de Rijn) carnaval.
In Keulen werd namelijk in 1823 een carnavalsoptocht geregeld. Deze
optocht was georganiseerd door een groep mensen die allemaal boeken en
dergelijke schreven.
Keulen hoorde, nadat het eerst in Frans bezit was geweest, vanaf 1815 bij
Pruisen ( dit was de toenmalige machthebber in dit gebied). Keulen was in die
tijd een
belangrijke plaats en kreeg zelfs bezoek van de keizer van het Duitse rijk. Als
deze keizer kwam, werd hij altijd verwelkomd met mooie bloemen, wagens,
enzovoorts.
Een soort optocht dus.
Een belangrijke Duitse schrijver, Goethe, had een boekje geschreven over de
Romeinse carnaval die hij gezien had in 1788. Dit boekje bracht de schrijvers op
verschillende ideeën en sommige personen die in dit boek voorkwamen liepen ook
mee in de optocht van Keulen.De schrijvers wilden net zo een mooie stoet
door de stad laten gaan en daarmee hun nieuwe baas (Pruisen) voor gek zetten.
Het hoogtepunt van deze optocht was de wagen van
"Held Karneval".
Held Karneval wordt vanaf 1870 prins carnaval genoemd. Hij draagt een
middeleeuws pak dat lijkt op het kostuum van de keizer van het Habsburgse Rijk.
Net zoals een echte keizer heeft ook een prins carnaval een hofhouding met een
nar (die mensen moet laten lachen), een minister en een raad.
De Held werd vroeger begeleid door soldaten die het uniform droegen van de
beschermers van de stad (voormalige Keulse stadsgarde).
Het dansmarietje was oorspronkelijk een imitatie van de marketentster, de
vrouw die met het leger moest meereizen om ervoor te zorgen dat de soldaten
genoeg te eten kregen, aanvankelijk een mannenrol. Tegenwoordig treedt zij
namens de carnavalsvereniging op bij toernooien en zittingen.
De eerste carnavalsorganisaties
Op verschillende plaatsen werden carnavalsorganisatie opgericht die het
organiseren van carnavalsactiviteiten voor hun rekening namen.
Het initiatief (idee) hiertoe werd meestal ondernomen door de middenstand
(winkeliers of gestudeerde mensen bijvoorbeeld slagers, advocaten en artsen).
Er zijn verschillende redenen te noemen waardoor men zich ging organiseren:
·
financieel voordeel (dat wil zeggen je verdient er geld mee)
·
dit gaf een bepaalde stijl aan het feest (zorgde voor een bepaald cachet),
·
om te laten zien dat het handhaven van een traditie zinvol is,
·
als teken van liefde voor de stad,
·
om politieke ideeën ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren en er vrijuit over te
kunnen praten
|